Adriaan Valckenier

geboren 6 juni 1695; overleden 20 juni 1751
gouverneur-generaal van 3 mei 1737 tot 6 november 1741

Adriaan Valckenier is geboren op 6 juni 1695 te Amsterdam. Zijn vader, schepen en secretaris van Amsterdam, was bewindhebber van de VOC te Amsterdam. Hij vertrok op 22 oktober 1714 aan boord van de Linschoten als onderkoopman naar Indië en kwam op 21 juni 1715 te Batavia aan.

In 1726 werd hij koopman en opperkoopman; in 1727 boekhouder-generaal van Nederlands-lndië; in 1730 werd hij benoemd tot Raad extra-ordinair, in 1733 tot Raad ordinair en in 1736 tot Eerste Raad en directeur-generaal. Uiteindelijk werd Adriaan Valckenier, na het overlijden van Abraham Patras, door de Raad van Indië tot gouverneur-generaal verkozen. Hij begon in die functie op 3 mei 1737.

Het was tijdens het bestuur van Adriaan Valckenier dat de beruchte moord op de Chinezen in Batavia plaatsvond (de zgn. "Chinezen Moord"). Door maatregelen van gouverneur-generaal Zwaardecroon was een stroom van Chinezen naar Batavia gelokt. Zij waren werkzaam in de bouw van huizen en stadsmuren van Batavia en op de suikerplantages buiten de stad. Vanaf 1725 liep de suikerexport echter terug. Voor een deel van de Chinese bevolking was er niet voldoende werk en men zag zich langzamerhand gedwongen de voortdurende toestroom te keren en zich van de overtollige elementen te ontdoen. Zo werd o.a. in 1732 besloten alle Chinese zwervers op te pakken en in de kettingen naar de Kaap de Goede Hoop te zenden en op 25 juli 1740 die zwervers, ook al waren zij voorzien van permissie-briefjes (die aan hen waren uitgereikt tegen betaling van 2 rijksdaalders) „in de boeijen te slaan en te doen examineeren”. De suikerproductie werd stop gezet vanwege gebrek aan afzetmarkt. Hierdoor raakten grote groepen Chinezen werkeloos. Deze maatregelen van de Hoge Regering in Indië gaven aan de haat van de Chinezen, die in die tijd 20% van de bevolking uitmaakten, tegen de Hollanders een nieuwe voedingsbodem. Als gevolg daarvan dreigden vanaf eind september 1740 de Chinezen in de omgeving van Batavia in opstand te komen. In de nacht van 8 op 9 oktober probeerden zij op verschillende punten in de stad een aanval uit te voeren, die echter werd afgeslagen. Hoewel de Chinezen binnen de stad zich rustig hielden, was de positie van de Hollanders aldaar zeer hachelijk en vreesde men het ergste. Een voorstel van Valckenier om de „stad van de Chineezen te ruimen” werd door de Raad van Indië verworpen, maar wel werd bepaald dat alle huizen van de Chinezen zouden worden onderzocht om alleen tegen de kwaadwilligen de gewenste maatregelen te nemen. Nauwelijks was dit besluit van de Regering bekend of het "onderzoeken" begon. Dit liep uit in een bloedbad dat twee volle dagen (9 en 10 oktober) duurde en waarbij meer dan 10.000 Chinezen, mannen, vrouwen en kinderen, omkwamen, terwijl het plunderen, roven en brandstichten nog verscheidene dagen langer aanhield. De Regering nam intussen volstrekt geen maatregelen om het moorden te verhinderen. Deze schanddaad werpt een onuitwisbare vlek op het bestuur van de hardvochtige, meedogenloze Valckenier.

Ook op het gebied van de koffiehandel maakte Valckenier grote blunders. Hij vreesde overproductie van koffie. Besloten werd om ongeveer de helft van de koffieaanplant te vernietigen. In Europa groeide de vraag naar koffie echter sterk. Valckenier kon, evenals zijn voorganger De Haan 10 jaar eerder, niet aan de vraag voldoen. De Heren XVII besloten de tekorten (ca ƒ 168.000) te verhalen op de directeur-generaal en Valckenier.
Maar ook in andere opzichten heeft zijn beheer zich ongunstig gekenmerkt: hij had voortdurend ruzie met leden van de Raad van Indië, welke ten slotte tot een uitbarsting kwamen. Valckenier legde de schuld van de onlusten bij Van Imhoff die op zijn beurt Valckenier aanklaagde. Op 6 december 1740 verscheen Valckenier, hersteld van een ziekte (waarvan de Raad gebruik had gemaakt om zich meer en meer gezag aan te matigen) op de vergadering, gevolgd door een detachement soldaten, dat zich in een kring om de Hoge Regering opstelde. Een hooglopende ruzie deed Valckenier besluiten drie leden van de Raad, Van Imhoff, Isaac van Schinne en Elias Haese, te arresteren en door de gewapende macht te doen wegvoeren. Op 10 januari 1741 werden deze leden in gevangenschap, ieder op een afzonderlijk schip, door Valckenier naar Nederland gezonden en bleef hij, voorlopig althans, meester van het hem zo lang betwiste terrein.

Inmiddels was aan Valckenier door de Heren XVII, op zijn reeds in 1738 gedane aanvraag, op 2 december 1740 eervol ontslag verleend. Hij droeg op 6 november 1741 de landvoogdij over aan Johannes Thedens en vertrok als admiraal van de retourvloot naar Nederland. Toen hij op 25 januari 1742 aan de Kaap aangekwam, werd hij evenwel op last van de Heren XVII gearresteerd en naar Batavia teruggebracht. Toen hij op 12 augustus 1742 daar aankwam werd hij op het kasteel te Batavia gevangen gezet. Verschrikkelijk zwaar heeft Valckenier voor zijn willekeurige handelingen moeten boeten.

Zijn grootste tegenstander, Van Imhoff, was bij zijn komst in Nederland onmiddellijk in eer hersteld, zijn arrest en opzending werden verklaard „te wezen informeel, nul, krachteloos en van geener waarde”, ja zelfs werd Van Imhoff tot Valckenier's opvolger benoemd. En bovendien werd het tegen Valckenier ingestelde strafgeding zo langzaam gevoerd, dat dit bij zijn dood nog niet ten einde was gekomen. Valckenier overleed op 20 juni 1751 in de gevangenis, waar hij dus bijna 10 jaar had doorgebracht. Hij werd te Batavia zonder enige plechtigheid begraven.

Bronnen:

- Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, deel Soek-Zij.
- Putten, L.P. van, 2002. - Ambitie en onvermogen : gouverneurs-generaal van Nederlands-Indië 1610-1796.