Nootmuskaat en foelie van Banda

nootmuskaat

We beginnen met een moderne beschrijving van de plantensoort [5] :

De muskaatnoot (Myristica fragans) levert twee specerijen, het zaad geeft nootmuskaat en het dunne rode vliesje om de noot is foelie. De bomen worden 10-15 meter hoog. Zij vormen een brede kroon op een korte stam. De 10 cm lange bladeren zijn speervormig en staan alternerend. Mannelijke en vrouwelijke bloemen vormen zich op verschillende bomen; de kleine klokvormige bloemen zijn lichtgeel van kleur en staan alleen of in groepjes. De ronde vruchten zijn 5-7 cm in doorsnede en geel als ze rijp zijn.
De muskaatnoot groeit het best in beschutte dalen op zeeniveau met een neerslaghoeveelheid van 1500-2000 mm per jaar.
De zaden worden in een driehoek van 9 meter van elkaar geplant. Twee van de drie bomen worden bij de eerste bloei verwijderd. In 3 tot 5 jaar geeft dit ongeveer 80% vrouwelijke bomen. Als er meer dan 10% mannelijke bomen staan worden die vervangen. Bemesting is hetzelfde als kruidnagel. Na 5-7 jaar beginnen de bomen vrucht te dragen. Na 15-20 jaar neemt de productie af maar de bomen kunnen 50 jaar lang produceren. Tegenwoordig kan de opbrengst 75 kg foelie per hectare, 500 kg gedroogde zaden per hectare en 3000 kg vers vruchtvlees per hectare opleveren. Het vruchtvlees kan worden gebruikt als zoetzuur en er kan olie uit de zaden worden geperst.
Muskaatnoot is relatief vrij van ziekten en plagen.

Nadat Jan Pietersz. Coen in 1621 de Banda-eilanden met grof geweld gekoloniseert had (zie onze pagina over Banda), werden op vier eilanden bijna 70 zgn. perken ingericht. Perkeniers waren hierover de baas en ca 20-30 slaven voerden het werk uit. Valentijn beschrijft in zijn uitgebreide werk "Oud en Nieuw oost-Indiën" (1724) het werk van de slaven in de notenperken. Ook geeft hij inzage in de in- en verkoopprijzen en zodoende de grote winst [4]:

nootmuskaat

Als de Nooten ryp zyn en aan den boom beginnen te splyten zoo dat de Foelie zich schoon rood van couleur, en al glimmende tegen de Nootenschaal die kool swart is, vertoont, dan gaan de slaaven van 's morgens vroeg yder met een mandeken na 't bosch om Nooten te plukken, komen in 't gemeen 's avonts ten 5 uuren van 't gebergte na beneden, alwaar dan eenige al deze geplukte manden met Nooten, of eigentlyk die Nooten in haaren bolster (doch niet anders dan oude) over een zeer scherp mes, dat ergens aan styf, of tegens twee houten, in de grond staande, vast gebonden, en diens scherpte na boven gelegt is, zeer geswind (dat een slag is) henen halen, dus die bolster, by een omwrikking, tot op de Nootschaale toe, klooven, en 'er dus de bolster afwreeken, 't geen met veel oordeel in 't verkiezen der Nooten dient te geschieden: want zoo 't een jonge Noot was, die 'er zomtyds onder loopen, zoo zou de snede door de Noot, en alles henen gaan, en dan was het ook om een vinger of twee van zoo een slaaf te doen; doch daar werd al vry wel op gepast.
Als al die Nooten zoo ontbolstert zyn werpt men de zelve met de Foelie 'er nog aan in een mandeken, en daar na vergadert men de bolster op een hoop, waar op dan een soort van champignons of paddestoelen groeit, die gezegt werden door haaren speceryagtigen smaak alle andere paddestoelen te boven te gaan. Immers zy worden in Banda van de liefhebbers en kenders zeer geprezen; doch ik heb daar zulken lekkerny niet in gevonden, maar wel, dat de Nootenbolster in riempjens gesneden en met kanneel gestooft een lekkere schotel eeten uitleverde.
Wanneer de slaaven nu met het ontbolsteren van alle die Nooten by dag nog gedaan krygen dat zy in 1 of 2 uuren weten af te haspelen, dan is 't hun avondwerk nog de Foelie van alle deze Nooten af te doen, die byzonder te vergaderen, en ook de Nooten byzonder by een te doen, waar van de Foelie dan in de zon gedroogt, en met de Nooten op de navolgende wyze gehandelt word.
Men heeft 5 kleine hokken of petakken, met een parapara of zolderken van latwerk van gesplete Bamboezen ofte rieten waar op de Nooten, die dan nog vast in een schelp zitten, gedroogt worden.
De eerste droogpetak is voor de natte Nooten, die daar, een week in moeten leggen, en dan gaan zy in de tweede petak, weer voor een week, van daar in de derde, weer voor een week, en in de vierde petak worden zy in de vierde week volkomen droog. Dan gaan zy in de vyfde petak, onder welke wat minder droog vermolsemt hout gestookt wert, en eindelyk in het zesde, of het groot hok, waar ontrent zeer flaauw gestookt word.
Onder alle deze petakken, of hokken, met haare doorlugtige zolderkens, word een matig vuur gestookt, niet om iets te branden maar enkelyk gerigt om de Nooten, die 'er boven op leggen, van binnen in haare schelp zoodanig te doen droogen, dat zy in de zelve beginnen te rammelen die daar na dan, 3 of 4 weken voor de leverantie, in stuk geslagen, de Nooten daar uit genomen, en weer in vette middelbaare en magere gesorteert en onderscheiden worden, om ze aan de E. Maatfchappy yder op het Comptoir, waar onder hy behoort, te leveren. Dit droogen geschied in 6 of 8 weken gemeenelyk blyvende dan de Nooten nog wel 5 of 6 weken onder de Perkeniers.
Het groot gewasch dat in Augustus of September, hoewel ook wel eens in Mey of Juni, valt, en wel een quart meer, als 't kleine geeft, word ontrent half December en 't klein gewasch, dat ontrent Maart of April valt, ontrent half Juli, in de voornoemde driederlei soorten afgelevert volgens welke leverantie yder byzondere soort van Nooten, in een mandje, in een doorgezaagde legger met zeewater, dat met kalk zoodanig gemengt is dat zy, als vette melk, 'er pas aanhangen blyft driemael ingedompelt, en dan zoo ook yder soort in een byzonder Nootenhok geworpen word, waar in zy zes weken digt toegesloten blyven, om te sweeten, in al welken tyd men 'er niet eens na omziet, en daar na (alzoo de kalk de souten der Nooten ontdekt) werden zy weer in goede en quaade, of in die drie voornoemde soorten onderscheiden. De Perkeniers nogtans lyden hier by niets; maar worden volgens haare gedaane leverantie van vette, middelbaare en magere Nooten betaalt, en deze laatste sortering loopt voor rekening der E. Maatschappy. Indien 'er te veel kalk by dit water gedaan wiert zouden de Nooten 'er verbranden, 't geen een groote schade aan de E. Maatfchappy zou konnen geven. Dit indompelen in de kalk geschied, om dat de kalk de geesten der Nooten door 't sluiten van der zelver pori, of uitwazemgaatjens, inhoud, en die niet alleen tegen 't verderf bewaart, en der zelver gebreken ontdekt; maar zulk een gekalkte Noot kan ook niet verplant worden, om dat zy geen schelp heeft, alzoo zy niet anders, dan in haare schelp, groejen en voortzetten kan. Ook moet de Noot, als zy verplant wort, niet geheel onder, maar boven de aarde leggen, of zou anders niet groejen.
De Foelie gedroogt zynde, word mede in drie soorten, te weten, Klimfoelie, zynde de beste en van geplukte Nooten, Raapfoelie, die de tweede soort en van afgevalle en opgeraapte Nooten is en in half rype Foelie, onderscheiden, en ook zoodanig aan de E. Maatfchappye gelevert, die voor de laatste foort, Gruis- of Stof-foelie genaamt maar de helft van de prys der andere Foelie betaalt , hoedanig zy ook met de betaling van gebroken Nooten, schoon ook nog zoo zeer doorgegeten en vermolmt, handelt, gevende ook daar voor maar de helft van 't geen zy voor vette, dat is, gladde en gave Nooten, zonder rimpels, en ook voor de middelbaare en magere Nooten betaalt. En schoon die vette Nooten zoo genaamt worden, gelyken egter de middelbaere en magere van buiten veel vetter en oliagtiger, schoon zy meer dan de andere, gerimpelt zyn.

In voorige tyden, ontrent 18 of 20 jaaren geleden, plagt men met het wegen en betalen dezer speceryen anders, dan nu, te leven.
Men rekende die toen by zoo veel Catti Bandan, of Bandasche Catti's, yder 5½ Hollandsche ponden swaar, en de Nooten woog men by weegzels , yder van 28 Catti Bandan, of 161 Hollandsche ponden, dat net met het gewigt van een sokkel (zynde baaltjens van matten, of boombladen, waar in de Foelie alleen gemeenelyk overkomt, en in welke zy op dat gewigt afgetrapt, hoewel maar op 160 pond gerekent word) overeenkomt. Men betaalde toen voor zoo een Catti Bandan Foelie 2 gulden 14 stuivers, ligt geld, of 60 ligte stuivers, in een Ryksdaalder van 48 swaare stuivers gerekent; maar dan was er de tiende van de E. Maatschappy, die ontrent /8 deel bedraagt, al afgetrokken, zoo dat het 42 stuivers bleef. Ook ontfing men die zelve prys voor 10 Catti Banda Nooten, of 5¾ pond yder.
Nu in tegendeel ontfangt men voor yder 100 Hollandsche ponden goede Foelie van de E. Maatschappy 15 Ryksdaalders en 18 stuivers; doch voor Stof-foelie, hoe slegt ook, 7 Ryksdaalders en 9 stuivers, dus kost haar een pond Foelie 7½ stuivers, en zy verkoopen die weer voor 3 guldens 12 stuivers, en voor 10 pond Nooten krygen zy ontrent zoo veel als voor 1 pond Foelie; en dus voor 1000 Hollandsche ponden Nooten, of vyf weegzels yder van 200 ponden, 't zy vette, middelbaare of magere ook 15 Ryksdaalders en 18 stuivers doch voor dat
zelve gewigt gebrokene en doorgegetene Nooten, mede maar de helft van die prys; en dus kosten haar 2 pond Nooten 1 stuivers, daar zy 1 pond voor 2 gulders 18 stuivers verkoopen. Een groote overwinst.

De valuta en wisselkoersen die de VOC hanteerde is zeer ingewikkeld en nogal verwarrend. Vanaf 1658 tot 1 september 1743 gebruikte de VOC voor de Aziatische boekhouding de Indische lichte gulden. Deze werd waarschijnlijk geleidelijk in de Indische boeken geïntroduceerd. Van 1743 tot 1768 de Indische zware gulden en na 1768 de Nederlandse gulden. De wisselkoers was 125 Indische lichte gulden = 100 Indische zware gulden = 83,65 Nederlandse gulden, die gedurende de hele periode ook in Patria gebruikt werd. Helaas was de praktijk niet in overeenstemming met bovengenoemde regel. Het voert op deze plaats te ver om de complexiteit hier uit te leggen. Wij verwijzen hiervoor naar Jacobs 2000, De Korte 1984 en Steur 1984.

 

Bronnen

[1] Jacobs, Els M., 2000. Koopman in Azië : de handel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie tijdens de 18e eeuw. - Zutphen: Walburg Pers, 2000. - 304 p., [nl]
[2] Korte, J.P. de, 1984. De jaarlijkse financiële verantwoording in de VOC, Verenigde Oostindische Compagnie. - Leiden: Martinus Nijhoff, 1984. - ca 250 p., [nl]
[3] Steur, J.J., 1984. Herstel of ondergang : de voorstellen tot redres van de V.O.C. 1740-1795. - Utrecht: HES Uitgevers, 1984. - 322 p., [nl]
[4] Valentijn, François, 2003. Oud en Nieuw oost-Indiën, deel III/B. - Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 2003. [nl]
[5] Williams, C.N., et al., 1980. Tree and Field Crops of the Wetter Regions of the Tropics. - 1980.