Malabar

Malabar is het zuidelijk deel van de westkust van India.

Overzicht van de vestigingen

Malabar-kustWingurla (tegenwoordig Vengurla, nabij Goa). Comptoir 1637-1693(?). Viel van 1673-1676 onder Suratte en daarvoor onder Batavia. Belangrijkste producten: peper, textiel.
Barselor (Coondapoor/Kundapura): residentie van 1667 tot ca. 1682, loge. Handel: inkoop van rijst.
Cannanur (Cannanore): comptoir 1663-1790. Producten: peper en kardamon. Fort Cananor.
Ponnani: post vanaf 1663, residentie, loge.
Cranganor (Cranganur): 1662 tot 1770. Fort.
Cochin/Coutchin: hoofdcomptoir met commandeur van 1663-1795. Producten: aanlevering van peper en kaneel. Fort.
Porka (Purakkad): residentie, loge. Product: peper.
Calicoilan (Kayankulam), vanaf ca. 1645, comptoir. Product: peper.
Quilon (Coylan), vanaf 1661 (hoofd)comptoir. Handel: aanlevering van peper en parels. Fort Coylan.
Tengenepatnam (Tengapatnam): zie Ceylon.
Kaap Comorin: zie Ceylon.

Goa

Toen de Verenigde Oostindische Compagnie in 1602 werd opgericht waren de Portugezen al een eeuw aanwezig op de westkust van India. Hun hoofdvestiging Goa was al in 1510 veroverd door Alfonso de Albuquerque. Steven van der Haghen deed in 1604 met zeven VOC-schepen een vergeefdse poging Goa in te nemen waarop de Portugezen reageerden met het uitbreiden van hun versterkingen. Van 1636 tot 1644 werd Goa door Nederlandse vloten geblokkeerd buiten de moesson-perioden. Eind september 1639 kwam het tot een serieus treffen toen Cornelis Simonsz. van der Veer in de baai van Goa drie Portugese schepen vernietigde. Goa is echter nooit veroverd op de Portugezen en verloor haar belang nadat de laatste Portugese vestigingen op de Malabarkust in 1663 door de VOC waren veroverd.

Uitbreiding VOC-invloed op de Malabarkust

Aanvankelijk dreef de Verenigde Oostindische Compagnie alleen maar handel in peper op de Malabarkust. Het eerste handelsverdrag werd in 1643 gesloten met de vorst van Kayankulam. Enkele jaren later werd in Kayankulam het eerste VOC kantoor geopend.
Nadat de VOC de Portugezen in 1656 van Ceylon verdreven had, wilde zij voorkomen dat zij vanaf de Portugese vestigingen aan de Malabarkust Ceylon zouden bedreigen. Dat was één van de redenen van de VOC om zich op de Malabarkust te vestigen. Maar zij wilde ook de controle of liever zelfs een monopolie krijgen over de lucratieve peperhandel uit het gebied. In december 1658 werd Coylan (Quilon) door 1200 man onder leiding van Rijckloff van Goens, de latere gouverneur-generaal, veroverd op de Portugezen. Met de plaatselijke vorstin werd overeengekomen dat de Portugese bezittingen aan de VOC werden afgestaan tegen betaling van bepaalde rechten en de peper zou exclusief aan de VOC geleverd worden. Echter nadat de legermacht vertrokken was moest de achtergebleven bezettingsmacht in april 1659 de vestiging opnieuw aan de Portugezen afstaan. In december 1661 kwam Van Goens opnieuw voor Quilon, ditmaal met 23 schepen en 6 sloepen met aan boord 4109 man (waaronder 2139 soldaten). Het schip Huys te Swieten met 144 matrozen en 214 soldaten voegde zich nadat het uit het vaderland op Ceylon was aangekomen, op 7 december bij de vloot. Nu werd het fort definitief veroverd. Er bleef een bezettingsmacht van 480 soldaten op het fort. Quilon werd voorlopig het hoofdcomptoir.
In januari 1662 werd Cranganor, gelegen ten noorden van Cochin, op de Portugezen veroverd. Deze plaats zou dienst gaan doen als uitvalsbasis om Cochin en de Portugese bezittingen in noordelijke richting te veroveren. Cochin werd begin 1662 aan de zeezijde geblokkeerd en vanaf land belegerd, maar begin maart 1662 moest de belegering worden gestaakt vanwege zware regenval en een aanval van een Portugees gezind inheems leger. In november werd een nieuwe poging ondernomen en na drie maanden beleg is Cochin op 7 januari 1663 veroverd op de Portugezen. Het op een schiereiland gelegen Portugese fort Cannanur werd zonder veel tegenstand op 15 februari 1663 genomen onder leiding van Jacob Hustaert. Op 26 maart 1663 werd een verdrag gesloten met de Kolathiri (hoofd van het geslacht dat over het noorden van Malabar heerste). Hoewel al op 6 augustus 1661 de Vrede van Den Haag tussen de Republiek en Portugal was getekend bereikte dit nieuws niet op tijd de Malabarkust zodat de Portugezen nu ook van de Malabarkust verdreven waren. Gouverneur Rijckloff van Goens van Ceylon wilde hier een pepermonopolie vestigen en Cochin kon mooi dienen voor de scheepsbouw en -reparatie. Hij zond twee weken na de verovering van Cochin het schip Meiboom rechtstreeks naar patria om het bericht van de verovering aan de Heren XVII te melden hoewel normaliter alle scheepvaart via Batavia liep. De Heren XVII hadden wel oren naar de plannen van Van Goens met het gebied maar het mocht allemaal niet te duur worden. Cochin kon een versterkte stad blijven en Cannanur mocht voorlopig bezet blijven, maar meer forten mochten er niet gebouwd worden. De Heren XVII hadden voorgesteld om van Malabar een zelfstandig commandement te maken maar de Gouverneur-Generaal en Raden in Batavia lieten, althans voorlopig, Malabar onder Ceylon ressorteren.

Aanwezigheid op de Malabarkust

De VOC bezat Cochin, Quilon, Pallippuram, Cranganor en Cannanur op grond van het recht van verovering. De lokale vorsten erkenden dat bezitsrecht in contracten. Cranganor werd, nadat het in 1662 op de Portugezen veroverd was, aan de zamorin (koning) van Calicut gegeven als dank voor zijn hulp aan de VOC bij het veroveren van de Malabarkust. Maar in 1666 ging de VOC toch het vervallen Portugese fort herstellen en er kwam een bezetting van zo'n 50 man.
In 1669 werd Malabar dan toch een zelfstandig commandement. Cochin was de hoofdplaats en had samen met Cannanur en Quilon zowel een militaire als handelsfunctie met ieder een (vernieuwd) fort annex factorij. In Cannanur werd een nieuw stenen fort gebouwd. Onder Cochin viel het fort in Cranganur, de factorij in Purakkad, een sterkte in Pallippuram en verschillende wachtposten. Onder Quilon vielen de factorijen in Kayamkulam en Tengatattaman en over wachtpost die voornamelijk langs het strand gelegen waren om de pepersmokkel tegen te gaan. Cannanur had geen onderhorigheden.
In 1667/1668 sloot de VOC een verdrag met de lokale vorst om een onversterkte factorij in Barselor (Coondapoor) te stichten die onder Malabar kwam te vallen. De Portugezen hadden bij deze kleine stad ooit een klein fort gehad maar dat kwam in 1653 aan de lokale vorst. Het kantoor was belangrijk voor de rijst- en peperinkoop (tegen contant geld) maar in 1697 moest het comptoir weer worden opgeheven vanwege problemen met de lokale kooplieden.
In 1682 besloot de Hoge Regering in Batavia om de mogelijkheden van een permanente vestiging in de belangrijkste handelsplaats van Canara, het gebied ten noorden van Malabar, te onderzoeken. Pas in 1722 kwam er in Mangalore zo'n VOC-comptoir. In de loop van de 18e eeuw nam het aandeel van de handel van de Engelsen in Mangalore toe ten koste van dat van de VOC.
In 1698 moest commandeur Wichelman bekijken hoe de forten van Cannanur en Quilon het beste verkleind konden worden om kosten te besparen.

Moeizame handel

Het bleek onmogelijk een pepermonopolie op de Malabarkust te krijgen. De met de lokale vorsten gesloten handelscontracten bleken moeilijk af te dwingen. In de 18e eeuw verloor de VOC steeds meer de grip op de peperhandel. Smokkel door Arabische kooplieden bleef doorgaan en de Engelsen kochten het op de Indiase westkust weer van hen.
Rond 1730 ontstond ten zuiden van Cochin het krachtige rijk Travancore dat ook de peperhandel wilde domineren. De Verenigde Oostindische Compagnie kon dit natuurlijk niet laten gebeuren en voerde in 1741 een militaire actie uit. De Slag bij Colachel liep echter uit op een zware nederlaag voor de VOC. Ook in het noorden, in het koninkrijk Mysore, werd de peperhandel van de VOC bedreigd.
Na 1770 verkocht de VOC de minst rendabele vestigingen op de Malabarkust, waaronder Cranganor, aan de lokale vorsten. In 1781 werd in Travancore een haven aangelegd voor de peperhandel en werd het steeds makkelijker voor de Aziatische peperhandelaars de VOC te negeren. De inkomsten van Malabar waren in 1790 zo laag dat de Hoge Regering overwoog om de vestigingen op de Malabarkust maar op te heffen. In 1793 besloten zij alleen Cochin de houden als vestiging en de andere nog overgebleven vestiging, Quilon, te verkopen. Uiteindelijk werden die laatste VOC-bezittingen aan de Malabarkust in 1795 (op grond van de Kew Letters waarin de naar Engeland gevluchtte stadhouder Willem V, tijdelijk wonend in de Dutch House in Kew Palace, de overzeese VOC-bestuurders opdracht gaf de vestigingen (tijdelijk) over te dragen aan de Engelsen om te voorkomen dat hun gezamenlijke vijand Frankrijk dat zou doen) bezet door de Engelse East India Company en vervielen per 1 maart 1825 vanwege het Tractaat van Londen (1824) definitief aan de Britten.

Wingurla

De vorst van Visiapoer (het huidige Bijapur), Sultan Mahmud Adil Shah, had toestemming aan de Verenigde Oostindische Compagnie gegeven om in 1637 in Wingurla (ook Wingerla of Wijngerla), het huidige Vengurla, ongeveer 50 km ten noorden van het in die tijd Portugese Goa gelegen, een loge te stichten. Deze plaats had een mooie natuurlijke haven. Onderkoopman Pieter Paets werd het eerste hoofd van de loge. Het doel van de vestiging was aanvankelijk vooral om de Portugezen goed in de gaten te kunnen houden. Tot in de jaren 60 van de 17e eeuw was er een verbeten strijd tussen de Portugezen en de VOC om de controle in het gebied. Toen van 1636 tot 1644 de haven van Goa geblokkeerd werd door de VOC, werden de schepen vanuit de vestiging Wingurla bevoorraad.
De VOC-vestiging viel op door het ongebruikelijk fraaie uiterlijk van het gebouw, voorzien van kruisgewelven en mooie stucwerk. Het T-vormige gebouw is waarschijnlijk meteen in 1637 of kort daarna gebouwd. Aanvankelijk had het een aarden omwalling maar in 1643 werd een aanvraag bij de Hoge Regering in Batavia ingediend voor een rechthoekige stenen ommuring met een achthoekig ("ront") en een vierkant torentje. De laatste was in feite de enige verdedigingstoren. In 1655, toen het gebouw wat bouwvallig geworden was, is het hersteld en verbouwd. Ook in de 18e eeuw is het nog verbouwd.
Begin 1653 werd de loge tijdelijk door het toenmalige opperhoofd Jacob Bacherach vanwege een conflict dat hij had met de lokale overheid verlaten. Hij verplaatste op eigen initiatief de loge naar Achera, 6 mijl noordelijker. Maar de Hoge Regering in Batavia kon dat eigen initiatief en het feit dat hij particuliere handel bedreef niet waarderen en floot hem nog hetzelfde jaar terug. De vestiging in Wingurla werd weer bezet door de VOC. De eigendommen van Bacherach werden door Rijckloff van Goens, die in opdracht van de Raad van Indië als commandeur uit Batavia voor de twee-jaarlijkse visitatie (inspectie) naar de wateren van India was afgereisd en daarbij ook in Wingurla poolshoogte ging nemen, verbeurd verklaard en Bacherach werd door hem uit zijn functie ontzet. Later zou de Raad van Justitie in Batavia oordelen dat hij te streng was aangepakt.
Nadat in 1663 de Portugezen bij Cochin definitief verslagen waren verloor Wingurla haar functie als observatiepost en bleef de inkoop van lood, tin en specerijen (voornamelijk peper) over. Ook werd hier textiel ingekocht (Gaastra). Als afzetmarkt was de plaats van belang voor verkoop van foelie en kruidnagelen uit de Molukken. Vanwege de ligging tussen Suratte en de Malabarkust diende de vestiging ook als verversingsstation.
Tot 1673 viel het kantoor te Wingurla direct onder Batavia. Tot 1676 viel het onder Suratte waarna het uiteindelijk onder het VOC-gebied Malabar kwam. Aan het eind van de 17e en begin van de 18e eeuw had de loge ongeveer 50 man betaald personeel in dienst.
Van Dam schrijft in zijn "Beschrijvinge van de Oostindische Compagnie" dat de post in 1685 werd opgeheven. Kennelijk is het daarna toch weer in gebruik genomen. Tijdens een conflict in 1693 nam de Mogol-veldheer Serbatchan de loge met groot gemak in (Schilder et. al.). Opperhoofd Jacob Trogh en drie soldaten werden gevangen genomen. Nadien is de loge weer in handen van de VOC gekomen en nog enkele malen herbouwd en beter versterkt (Schilder et. al.). In de Generale Missiven van Gouverneur-Generaal Dirk van Cloon aan de Heren XVII van 8 december 1732 staat daarentegen geschreven dat er "zedert het aflopen van 's Compagnies loge of residentie in den jaere 1693 geen handel meer was gedreven".
Later in de 18e eeuw zijn de VOC-gebouwen mogelijk in gebruik geweest bij particuliere handelaren (Schilder et. al.). In 1812 is de voormalige VOC-vestiging aan de EIC (de Engelse East India Company) gegeven.

Commandeurs van Malabar

1663–1663 Pieter de Bitter Provisioneel commandeur, samen met Cornelis Valkenburg
1663–1666 Ludolph van Coulster
1665–1667 IJsbrand Godske
1668–1669 Lucas van der Dussen
1670–1677 Hendrik Adriaan van Reede van Drakenstein
1677–1678 Jacob Lobs
1678–1684 Marten Huysman
1684–1687 Gelmer Vosburgh
1687–1693 Isaack van Dielen Van feb. 1691 tot nov. 1691 was Hendrik Adriaan van Reede commissaris
1693–1694 Alexander Wigman Waarnemend commandeur
1694–1696 Adriaan van Ommen † van mrt 1695 tot apr. 1695 was Paulus de Roo commissaris
1696–1698 Pieter Coesaart waarnemend commandeur
1698–1701 Magnus Wichelman
1701–1704 Abraham Vink
1704–1708 Willem Moerman
1708–1709 Adam van der Duijn
1709–1716 Barend Ketel
1716–1723 Johannes Hertenberg
1723–1731 Jacob de Jong
1731–1731 Wouter Hendriks
1731–1734 Adriaan Maten
1734–1742 Julius Valentijn Steijn van Gollonesse
1742–1747 Reynicus (Reinerus) Siersma
1747–1751 Corijn Stevens †
1751–1751 Abraham Cornelis de la Haye
1751–1756 Frederik Cunes
1756–1761 Casparus de Jong
1761–1765 Godefridus Weyerman
1764–1768 Cornelis Breekpot
1768–1770 Christiaan Lodewijk Senff
1770–1781 Adriaan Moens
1781–1793 Johan Gerard van Angelbeek
1793–1795 Jan Lambertus van Spall

Hedendaagse herinneringen aan de VOC-tijd

In Vengurla is de VOC-vestiging nog aanwezig maar helaas in zwaar vervallen toestand. Bruikbare materialen zijn uit het gebouw gesloopt zodat er geen houtwerk (kapconstructies en kozijnen) meer in zit. Ook stalen spanten, later aangebracht ter ondersteuning van de gewelven, verkeren in slechte staat.
Van het op een schiereiland liggende Fort Cananor in Cannanore (Kannur) bestaan de muur en wal aan de landzijde nog steeds.
In Kochi (Cochin) is nog een deel van de versterking overgebleven, evenals de Nederlandse begraafplaats, de St. Franciskerk. Het huidige Malabar House, gebouwd in de 18e eeuw, is nu een luxe hotel.

Bronnen

- Dam, Pieter van, 1932. - Beschrijvinge van de Oostindische Compagnie, Tweede boek, deel II.
- Gaastra, F.S., 1991. - De geschiedenis van de VOC.
- Ottow, W.M., 1954. - Rijckloff Volckertsz van Goens : de carrière van een diplomaat 1619-1655.
- Wevers, L.B., 2002. - Sadras en Wingurla. - In: Hollanders uit en thuis : Archeologie, geschiedenis en bouwhistorie gedurende de VOC-tijd in de Oost, de West en thuis : Cultuurhistorie van de Nederlandse expansie, p. 125-140.
- RGP-GS205, 1988. - Generale Missiven van Gouverneurs-Generaal en Raden aan Heeren XVII der Verenigde Oostindische Compagnie : Deel IX: 1729-1737
- s'Jacob, H.K. (bew.), 1976. - De Nederlanders in Kerala 1663-1701.
- Schilder, Günter, et al. (samenst.), 2006. - Grote Atlas van de Verenigde Oost-Indische Compagnie : I Atlas Isaac de Graaf / Atlas Amsterdam.- Begrippenlijst Nederlands-Indië