Kaap de Goede Hoop
Gezicht van Kaap der Goede Hope als men op de Rede ligt.
Prent uit "Oud en Nieuw Oost Indiën" van François Valentijn (1724).
Het was de Portugees Batholomeus Diaz die Kaap de Goede Hoop in 1487 zijn naam gegeven heeft. Een eeuw later kwamen ook schepen van de Voorcompagniën in Zuid-Afrika. In 1595 waren het de vier schepen van De Houtman die het anker lieten vallen in wat later door Paulus van Caerden in 1601 de Mosselbaai werd genoemd. Het was Joris van Spilbergen die in 1601 de Tafelbaai zijn naam gaf, een baai die door de Portugezen Saldanhabaai werd genoemd, een naam die later aan een noordelijker gelegen baai werd gegeven[1].
Kaap de Goede Hoop werd al sinds 1616, toen de uitgaande schepen een zuidelijke route moesten aanhouden over de Indische Oceaan, regelmatig aangedaan door schepen op weg naar de Oost. De Heren Zeventien kwamen door een verslag van de overlevenden van het schip Haarlem, dat in 1647 in de Tafelbaai strandde, op het idee voor een permanente post aan de Kaap, niet voor de handel maar om de schepen te voorzien van verse voorraden. In 1652 werd aan Jan van Riebeeck de opdracht gegeven om aan Kaap de Goede Hoop een verversingsstation in te richten waar de schepen verse voorraden en water konden innemen. Jan van Riebeeck kwam met drie Oost-Indiëvaarders (de Reiger, de Olifant en de Walvis) en twee jachten (de Goede Hoop en de Drommedaris) met 90 man aan bij Kaap de Goede Hoop. Er verrees een vierkant houten fort dat in de periode 1666-1674 vervangen werd door een stenen fort met de naam "Goede Hoop". Op de uit- en thuisreis moesten de VOC-schepen verplicht ankeren aan de Kaap. De Kaap was de enige permanente vestiging van de VOC die geen handelspost was, maar uitsluitend diende als verversingsstation en herstelplaats voor bemanning en schepen. De Tafelbaai vormde een mooie natuurlijke haven, maar in de winter konden noordwester stormen het binnenlopen van en ankeren in de baai gevaarlijk maken (zie hieronder onder Tafelbaai). De bewindhebbers wilden met de vestiging het aantal doden als gevolg van ziekten op de schepen zoveel mogelijk terugdringen. Er werden moestuinen aangelegd en er werd een klein hospitaal ingericht, maar door de gebrekkige behuizing daarvan was het vooral aan het heilzame klimaat en het verse voedsel te danken dat zieken hier konden genezen.
Sommige VOC-dienaren werden ontslagen van hun dienst voor de Compagnie en mochten zich als zogenaamde 'vrijburgers' vestigen aan de Kaap. Ze kregen een stuk grond toegewezen om groente en fruit te verbouwen en moesten de oogst verkopen aan de schepen in de Tafelbaai tegen prijzen die de Compagnie vaststelde. Sommige vrijburgers kregen toestemming een ambacht uit te oefenen, zolang de Compagnie daar baat bij had. De vrijburgers leverden ook vers voedsel door het houden van varkens, schapen, koeien en kippen en door visvangst. Vee werd ook verkregen door ruilhandel met de Khoikhoi.
De VOC was in eerste instantie niet doelbewust uit op kolonisatie en bemoeide zich nauwelijks met de stammen die verder in het binnenland leefden. Toch groeide de vestiging al snel uit tot een soort kolonie, onder andere doordat na verloop van tijd gezinnen van de vrijburgers naar de Kaap kwamen, evenals zelfstandige particulieren. Ook werd een groot aantal slaven aangevoerd, die voor de vrijburgers moesten werken. Deze slaven werden van Madagascar, uit Mozambique en uit Azië gehaald.
Het gouvernement van de Kaap, dat zetelde in het Kasteel, was over het algemeen uit op een goede verhouding met de Khoikhoi om de handelsbetrekkingen te bevorderen. Daarom verbood de VOC de vrijburgers de Khoikhoi als slaven te gebruiken. Dit standpunt van de VOC nam echter niet weg dat er gouverneurs waren, zoals Simon van der Stel (ca 1693), die zich wel met de interne aangelegenheden van de Khoikhoi bemoeiden, met gewapende conflicten als gevolg.
Tafelbaai
De Tafelbaai, waaraan de VOC zich met een kasteel permanent vestigd had, was lang niet altijd een veilige plaats om te ankeren. In de wintermaanden kon door noordwester stormen de baai levensgevaarlijk zijn. Pas in 1742 kwamen er voorschriften. Maar daarvoor moesten wel eerst op 15 juni 1722 in een hevige storm zes schepen (Amie, Lakenman, Zoetigheid, Schotse Lorrendraaier, Rotterdam en Standvastigheid) gelijktijdig op het strand vergaan, evenals drie Engelse schepen. En op 3 juli 1728 vergingen tijdens zo'n storm de Stabroek en Middenrak. Toen vond men het tijd om geschikte havens te zoek maar echte maatregelen werden toen nog steeds niet genomen. Zo kon het gebeuren dat op 21 mei 1737 tijdens een hevige NW-storm maar liefst acht retourschepen, klaar om de volgende dag uit te zeilen, op de thuisreis verloren gingen in de Tafelbaai (Iepenrode, Flora, Paddenburg, Buis, Duinbeek, Goudriaan, Rodenrijs, Westerwijk), een verlies van meer dan een miljoen gulden aan goederen. Ook de aan de Kaap gestationeerde brigantijn Victoria is in die storm verloren gegaan. Bij de ramp kwamen 208 opvarende om, 531 man overleefden de ramp. In 1742 werd uiteindelijk het gebruik van de Tafelbaai verboden tussen 15 mei en 15 augustus. In die periode moest gebruik worden gemaakt van Simonsbaai, het meest westelijke deel van Valsbaai ten oosten van de Kaap. Groot nadeel hiervan was dat deze plaats over land moeilijk bereikbaar was. Men heeft nog pogingen ondernomen om met de bouw van een zeehoofd de Tafelbaai veiliger te maken maar de aanleg daarvan werd uiteindelijk opgegeven (Mouillepunt in Kaapstad herinnert hier nog aan - mouille = golfbreker)[4]. Vanaf 1794 werd de periode waarin de Tafelbaai verboden gebied was, verlengd van 10 april tot 1 september. Aanleiding daarvoor was de hevige storm op 12 april 1790 waarbij zeven schepen strandden maar allemaal weer vlot konden worden getrokken. Hieronder was de Helena Louisa van de VOC; de overige schepen waren van andere landen. Twee VOC-schepen konden hun ankers houden (Trinconomale en Gouverneur-generaal Maatsuijker)[3].
Commandeurs en Gouverneurs van Kaap de Goede Hoop
| 1652–1662 | Jan Anthonisz. van Riebeeck | commandeur | |
| 1662–1666 | Zacharias Wagenaer | commandeur | |
| 1666–1668 | Cornelis van Quaelbergen | commandeur | afgezet, later gerehabiliteerd |
| 1668–1670 | Jacob van Borghorst | commandeur | |
| 1670–1671 | Pieter Hackius | commandeur en gouverneur | |
| 1671–1672 | waarnemende raad | ||
| 1672–1672 | Albert van Breugel | waarnemend commandeur | |
| 1672–1676 | IJsbrand Godske | gouverneur | |
| 1676–1678 | Johan Bax van Herenthals † | commandeur | overleden |
| 1678–1679 | Hendrik Crudorp | waarnemend commandeur | |
| 1679–1699 | Simon van der Stel | commandeur, va 1691 gouverneur | |
| 1699–1707 | Willem Adriaan van der Stel | gouverneur | |
| 1707–1708 | Johannes Cornelis d' Ablaing | waarnemend gouverneur | |
| 1708–1711 | Louis van Assenburg † | gouverneur | overleden |
| 1711–1714 | Willem Helot | waarnemend gouverneur | |
| 1714–1724 | Maurits Pasques de Chavonnes | gouverneur | |
| 1724–1727 | Jan de la Fontaine (1e periode) | waarn. gouverneur | |
| 1727–1729 | Pieter Gysbert Noodt | gouverneur | |
| 1729–1737 | Jan de la Fontaine (2e periode) | waarn. gouv., va 1730 gouverneur | |
| 1737–1737 | Adriaan van Kervel | gouverneur | |
| 1737–1739 | Daniel van den Hengel | waarnemend gouverneur | |
| 1739–1751 | Hendrik Swellengrebel | gouverneur | |
| 1751–1771 | Ryk Tulbagh † | gouverneur | overleden |
| 1771–1785 | Joachim baron van Plettenberg | waarn. gouv., va 1774 gouverneur | |
| 1785–1791 | Cornelis Jacob van de Graaff | gouverneur | |
| 1791–1792 | Johan Isaac Reinus (Rhenius) | waarn. gouverneur | |
| 1792–1793 | Sebastiaan Cornelis Nederburgh | commissaris generaal | met Simon Frijkenius |
| 1792–1793 | Simon Hendrik Frijkenius | commissaris generaal | met Sebastiaan Nederburgh |
| 1793–1795 | Abraham Josias Sluysken | commissaris generaal | |
| 1795–1803 | Engelse bezetting | ||
| 1803–1804 | Jacob Abraham (Uitenhage de) Mist | commissaris generaal | |
| 1803–1806 | Jan Willem Janssens | gouverneur |
Vanaf 1806 is het gebied definitief in handen van de Engelsen gekomen.
Bronnen
[1] Bruijn, J.R., F.S. Gaastra en I. Schöffer, 1987. Dutch-Asiatic Shipping in the 17th and 18th centuries, Volume I, Introductory volume. - Den Haag: Martinus Nijhoff, 1987. (Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, Nr. 165) - 356 p., [en]
[2] Gessel, M., A. Kieskamp en P. Boon, 1995. Ongeluckig, of droevigh verhaal van 't schip de Gouden Buys, 1695 : een Enkhuizer VOC-schip strandt bij zuidelijk Afrika. - Amsterdam: Terra Incognita, 1995. - 141 p., [nl]
[3] NA-1.04.02_4339. Overgekomen brieven en papieren uit Kaap de Goede Hoop en Mauritius aan de Heren XVII en de kamer Amsterdam. : Derde deel 1789 - 1790
[4] Theal, Geo. M., 1891. Korte geschiedenis van Zuid-Afrika : van 1486 tot 1835. - 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1891. - 365 pp., [nl]
[5] Velden, Bert van der. Begrippenlijst Nederlands-Indië

